24
begon zijn recht op levensgenot te eischen, dat heete oostersche bloed drong alle andere aspiratie s terug.
Maar daartegen-in leefde in huis Saartje, vaders moeder, tanig, kras besje, waarin 't leven als vastgegeroesd zat, bemoeiziek, vies wijfje, nog altijd bewust van haar overwicht op haar zoon en hoewel teruggedrongen, telkens wéér trachtend te stoken in huis, de oude wortel met laatste krachten wegzuigend de sappen van den nieuwen bloei.
En deze vijandigheid van twee levens kwam het sterkste uit in Saartje tegenover Molly. Zij haatten elkaar, die twéé, voelden dat zij elkaar in den weg waren in dit te kleine huis. üavid had zijn moeder een eigen kamer op de tweede verdieping gegeven, die hij gemeubeld had met al haar oude meubeltjes om ’t haar gezellig en knus te maken. Zij at mede aan tafel, werd van alle schotels ’t eerste bediend, bemoeide zich in alles, bleef ’s avonds als er visite was tot ’t laatste zitten, hinderde de jongelui door haar oude-vrouwtjes-gesprekken, voor zichzelve alléén het woord en de belangstelling vragende.
En altijd kreeg zij gelijk van haar David, maakte naicf misbruik van diens zwakke goedheid. Molly wéét het aan haar, dat er zoo weinig jongelui op bezoek kwamen. Die wilde niet altijd in gezelschap van zoo n gerimpelde, tanige praatzieke jodin zijn. Met hare kwaadaardige, donkere oogen, oogen die de dood maar niet wilde blusschen, loerde zij op de tafel of zij soms bij een rondgang met de koekjestrommel ook overgeslagen zou worden, of men haar glas niet 't eerst vulde. Hoewel zij haar eigen kamer had, troonde zij ’t liefst op een grooten armstoel in de huiskamer, sprak er schande van als Stijntje of Molly aan de kinderen suiker in de koffie of thee gaf. Dat had haar Dóvid ook nooit gehad en tóch was hij een braaf kind geworden.
Maar ook de oude vrouw, zoo kwaadaardig als zij was, had voor Everdine ontzag. Zij vatte Everdines koele hooghartigheid, die zij niet begreep, als eerbied op. als zwijgende onderdanigheid en Everdine. die weinig met haar had uit te staan, niet zooals Molly in gestadig contact met haar leefde, haar niet behoefde te bedienen, werd door haar geprezen, als ’t éénige kind van haar Dóvid. dat deugde, dat niet naar haar