van biunen niet goed . . . ’t hebben ze van de moeder ... al mijn kleinkinderen ...»
Tusschen de klagende zinnetjes had hij kleine slurpjes koffie genomen . . . Nu was ’t schoteltje leeg. Hij zette het op de tafel, ’t kopje er omgekeerd op . . .
,,Is er al wat aan de hand met ’r?” vroeg hij, met ’t hoofd wijzend naar de deur, waardoor Molly hem de kop koffie had toegereikt.
„Ze zal zich misschien verloven
„Met wie, als ik vragen mag?
„Met Meester Michiel Gazan ...”
„Ai wé . . . een fijne man . . . u heeft wat 'n geluk . . . wie zóó gezegend is, mag nooit klagen . . . Meester Michiel Gazan . . . een kleinigheid ... de grootste advocaat van Amsterdam . . . Heit-u zijn vader gekend . . . Leip Gazan . . . dat was niks . . . dat was heelemaal niks ... ’k ben uitgenoodigd geweest bij zijn begrafenis en ik heb ja in beraad gestaan of ik ’m de eer zou andoen . . . Daar heb ik eens, voor jaren en jaren, een handel mee gehad en toen heit-ie mij willen om den tuin leijen . . . willen . . . maar de ouwe man is niet zoo dom ... Nó . . . niks te verdienen ? . . .
„Vandaag niet. . .”
„Dan morgen misschien . . . Dank je voor de koffie . . . Dat is voor ’t eerst in de twintig jaar, dat ik een spog nat krijg in de Kalverstraat zonder er voor te betalen ... ja, de menschen bennen lief. . . Goeie morgen . . . Veel mazzel en bróge" . . .
Hij liep sleepend den winkel in, naar de voordeur.
„Dag Nauman ... As je bij mij thuis komt heb ik wat voor je te koop” . . . riep Nathan Souget hem na.
„Zeg op ! . . wat hèb je ? . . ."
„Een doodkist!” lachte Nathan, met zijn glinsterende oogen vol brutaliteit.
„Pas op, gattes! schold Nauman, dreigend met den vinger en de deur uitgaande.
David De Leeuw zag hem peinzend na. Het ging slécht. Hij zou hem weer spoedig noodig hebben. Het heele voorjaar regende het al. Alle zaken, aangewezen op den drukken voor-jaarstijd, kwijnden. Zelfs Harry Hirschfeld had zorg. Hij was