Nauman schuifelde binnen.
«Ja . . . geef den ouden man een slok warm drinken . . . Daar doe je beter aan ... 'k Ben huiverig ... ’k Heb de heele week niks verdiend ...»
«Daar feliciteer ik den handel méé!» tergde Ricardi.
«Feliciteer jij jezeli op ’t graf van je vrouw, haurik!» antwoordde Nauman.
Ricardi was opeens stil, nam als een getrapte zijn hoed.
«’k Ga naar mijn zaak!» riep hij, zich naar de deur spoedend.
«Een man, die zijn vrouw in ’t graf heeft gebracht en leeft met 'n sjiekse . . . ook al van ‘m aangestoken, zal zich tegenover een oud man, die voor een groot gezin sappelt, zoo iets veroorloven!» zei Nauman, hem met verachting in de oogen nakijkend. Opeens op vriendelijken, vertromvelijken toon tot De Leeuw:
«Hoe gaat het ur Verkoopt u wat?»
«’tls slecht, ’t is héél slecht...» zei David.
«Een wonder, bij zoo’n seizoen. Alle dagen regen.»
«Allemaal klagen ze. Geen cent te verdienen...»
Molly, flink opgegroeid, zware, robuste, jonge vrouw, rijp de volle buste, reikte Nauman door de deur van de achterkamer een kop koffie aan.
Nauman wachtte even voor hij de kop aannam, keek haar aan .
«Dank je juffrouw . . . dank je . . .»
Hij goot de koffie in het schoteltje, blies rimpeltjes er in, slurpte een slokje, nog een slokje, de dunne murmellipjes snuitend naar voren. Nu wat verzoend en behagelijker:
«U moet nóódig klagen . . . Zoo’n geluk als u met uw kinderen heit. . . Wat een mooi mensch . . .
Ik ken geen mooier meisje onder de Jehoedim in héél Amsterdam ... En wie speelt daar viool ...»
«Dat is mijn Everdine ...»
«Kijk er eens aan . . . En dat klaagt . . . Een man met zóó’n gezin . . . Moet u bij mijn thuis komen . . . Allemaal ziek aan de oogen ... En mijn jongste kleinkind leit al drie maanden met borsttering . . . Wat zal men ’r aan doen . . . ’k Heb de meester er bij . . . ze eet een ei en nog een ei en drinkt een kapitaal aan drankies op . . . maar 't geeft niks . . . 't Is ddar