149
Niemand betaalde opzettelijk zijn schulden niet. Men kwam -er in . . . langzamerhand . . . zonder dat men het wist. . . Als hij nu eens niet dat accept van Dietrich en Cohn betaald had. Dan was hij failliet verklaard. Dan had morgen in alle couranten van 't land zijn naam vermeld gestaan in een schande-rubriek. Een curator zou hem ondervraagd hebben, alsof hij een rechter van instructie was, waarom hij dien dag, dat had uitgegeven en dien anderen dag dat. Bij Pooter had de curator zelfs aanmerking gemaakt op een zoogje zalm, dat Pooter Zaterdags bij Saur had gekocht. ,,U moet schar eten en geen zalm, als u ’t geld er niet voor hebt”, had die melkmuil gezegd. Als David de Leeuw failliet was verklaard, op verzoek van Dietrich und Cohn, kon hij er dan ook in de krant bij laten drukken : De fielten hebben een grooter magazijn vlak over ’t mijne geopend,” óf ,,De Kaapsche tijd is over”, óf ,,Ik wou er wel uit, maar ik zat vast aan mijn huurcontract en mijn voorraad!”
Nu was David de Leeuw de fatsoenlijke man gebleven, nu hij aan arme werklui voor moeielijk gespaarde centen, aan uitgemergelde kantoorschrijvers, slecht goed te duur verkocht. Maar wée, wanneer hij gezegd had, dat ’t niet langer ging en dat hij óp was. Nu had hij Vlissingen, die hem verweet wat een ander hèm aangedaan had, een hartig: ,,Loop naar den bliksem, klepbroek!” kunnen toeschreeuwen. Maar als hij dienzelfden Zaterdag, op den dag toen de opening van dat bloemen-krotje in ’t honderd liep, Vlissingen eens had moeten ontzien, vreezcnd morgen of overmorgen hem voor ’t leenen van een paar bankjes noodig te moeten hebben! Geld, geld, dat was de wereld, de slechte, ellendige wereld. Als je geld had, was je in aanzien. Hoe je er aan kwam, werd niet nagegaan. En als je ’t niet had, lag je in de goot en je kreeg nog een trap toe. Zoolang ’t kon, moest men het er maar van nemen. Ging ’t niet langer, welnu, dan zei hem niemand dankje, dat hij een paar honderd gulden méér had uitgezuinigd. Daarom zou hij, nu hij rouleering van geld had, ’t er ook maar van nemen. Zijn oude vader en moeder waren menschen van één dag. Ze wilden hun bruiloft hebben... goed ... ze zouden hem hebben. Dat mocht hij, David de Leeuw, zich wel veroorlooven voor al zijn zorgen !