Op een middag was hij naar de oude luidjes in de Kerkstraat gegaan.
„Vader, ik kom nog eens spreken over de bruiloft. .
„Spreek er niet meer over . . . Dat is nu uit mijn hoofd . . ..
Ik zal mijn bruiloft wel vieren boven, bij Adesjem.”
,,’t Gaat mij goed, vader . .
,,’t Is je altijd goed gegaan. God geve, ’t blijf je altijd goed gaan. Maar voor ons kan ’t er niet af. . .”
,,’t Kan er wèl af vader. Toen kon het niet en nu kan het wel ...”
„En hoeveel kan je dan geven?”
De oude man, overtuigd van zijn recht op de bruiloft, vroeg het, alsof zijn zoon bood op iets, dat hij voor hem te koop had.
„Zoovéél als ’t kost vader. Je zult een echte, „bekówete” bruiloft hebben.”
Ze waren het ééns geworden, hadden samen de lijst opgemaakt van de gasten. Leip Gazan was uitgenoodigd met zijn oude zuster en Michiel Gazan en Sjimme de Pieper en Kees Doorman, de apotheker en chirurgijn Halma met zijn vrouw en Harry Hirschfeld met zijn vrouw. Dan de twee zusters en twee zwagers van David de Leeuw met hun kinderen. „Of Ricardi van de partij zou zijn?” vroeg David De Leeuw. „Men kon hem moeielijk passeeren,” meende de oude Simon.
Eiken dag werd het lijstje van de genoodigden grooter. Tot er vijftig gasten zouden zijn. Toen had David de Leeuw gezegd, dat er niet meer bij konden. De zaal van Odéon was niet groot genoeg voor méér gasten.
Die mooie dagen van de voorbereiding. Als vadertje 's morgens kwam om zijn David te bezien, was ’t al druk in zijn winkel. „Een opruiming van ’t overbodig goed,” had hij tot zijn vader gezegd. En ’t vadertje, goedig geloovend, den héélen dag in de weer, met zijn grooten, breedgeranden oud-modischen cylinder-hoed op, stevig stampend op den grond met de punt van zijn bruinen wandelstok met ivoren knop, klom de trappen op, blééf koffie drinken, luisterde naar ’t viool-spel van Everdine, méégaand en gewillig door ’t geluk dat hem wachtte, zichzélf gewichtig voelend, nu de groote gebeurtenis zou komen, waarvan hij ’t middelpunt zou zijn.