144
„Dus je wilt hier blijven?” vroeg hij eindelijk. „Maar weet je wel wat je doet? Jij bent nog zoo jong . . . zoo heel jong . . , en ik ben al bijna een oud man . . . Mijn leven is bijna voorbij ... en ’t jouwe moet nog beginnen.”
Toen hij zeide, „bijna voorbij,” maakte hij met zijn hand een zwaaiende beweging, duidend op de schilderijen langs de wanden.
„Neen ... 't is nog lang, nog heel lang, je moet nog beroemd worden . . . nog overal beroemd in de wereld ... en je moet niet langer zoo alléén meer zijn ... ik wil bij je blijven ... ik wil bij je blijven... altijd... voor eeuwig... voor eeuwig...” En zij wierp zich om zijn hals en kuste hem op ’t voorhoofd en de wangen en de ooren en de baard en toen lang en innig op den mond.
Hij liet haar begaan, legde nu zijn arm zacht om haar middel, drukte haar tegen zich aan.
„’t Is dan goed mijn kind ... ’t is dan goed zoo . . . het leven is vreemd . . . het is onbegrijpelijk . . . het is altijd vol verrassingen ... ik heb er zooveel over gedacht ... en telkens is ’t weer nieuw ... en dat is ’t mooie . . . dat altijd nieuwe . . . al is het nieuwe ook smartelijk.”
Zij keek hem verwijtend aan.
„Neen ... nu is het niet smartelijk ... o neen ... nu is de verrassing mooi, zoet... ik ben je erg dankbaar ... ik ben nu gelukkig . . . heelemaal gelukkig ...”
En zij bleven samen zitten op de kist, zwijgend tegen elkaar aan, uitziende door het open raam over de roode daken heen in het diepe blauw van den Juni-hemel, ieder droomend voort zijn eigen droom, in een zwijgend bidden voor het geluk van den ander.