Hoofdstuk VIII.
Odéon's kleine zaal was afgehuurd voor de gouden bruiloft van Simon de Leeuw en Saartje Rebecca Hamburger. Lang nog was David de Leeuw in tweestrijd gebleven. De eigenlijke datum van het feest was al een paar maanden voorbij.
Hij had wel dolgraag gewild, David en hijzelf vond het ook aangenaam, nog eens alle bekenden uit zijn jeugd bijeen te zien op het feest van zijn ouders. Een soort voorgevoel deed hem dat feest opvatten als een laatste schittering van het vuurwerk, dat zijn groote zaak was. Op die bruiloft zou hij, David De Leeuw, nog de voorname winkelier zijn, de man van een der grootste magazijnen in de Kalverstraat te Amsterdam. Zijn ouders zouden nog trotsch op hem kunnen gaan. Al de kennissen zouden zien, hoe vèr hij het gebracht had.
Wat daarna zou komen, voelde hij als een afgrond. Want t werd hem nu klaar, hij zou het niet meer kunnen houden. De zaak van Bartelkamp en Hoenders was geopend. Tegenover hun voorpui met zes ramen stak zijn magazijn met twee ramen als een provinciaal winkeltje af. En 's avonds, als bij Bartelkamp en Hoenders de groote electrische booglampen brandden, dan was zijn winkel met gasballonnetjes nietig. Dietrich und Cohn wilden hem niet meer leveren, zelfs niet tegen accept, maakten hem de betaling van ’t geen ze nog te vorderen hadden zoo moeielijk mogelijk, loerden er op hem te doen failleeren om hem zoo uit zijn huis te krijgen. Zij waren de eigenlijke houders van ,,A la ville de Londres”. Bartelkamp en Hoenders waren maar stroopoppen.
Het was hem onmogelijk om te concurreeren tegen het eigen magazijn van de grootste Duitsche confectie-fabriek. Het courante goed van Dietrich und Cohn, eenvoudig op nette bustes gesteld, met duidelijk zichtbare, lage prijzen, trok koopers. Men werd in die zaak solide behandeld, kon niet afdingen,
IO
Kalverstraat.