134
,,Beltman, een dubbeltje boete . . riep Hirschfeld in den. winkel.
Het meisje sprong verschrikt op en toen hij weg was, begon zij te schreien.
De Leeuw was nadenkend geworden. Met ontzetting peinsde hij er over, wat zijn lot thans zou geweest zijn, als hij op dien morgen, in een zwak oogenblik, aandeel had genomen in Yellekoopers zaakje. Zijn gedachtenloop hardop voortzettend, toen Hirschfeld weer naast hem liep, zei hij :
,,Wie God wil straffen, ontneemt hij eerst zijn „seigel.” leder zal zichzelf in een zwak oogenblik kennen!”
„Nonsens. Een fatsoenlijk man weet altijd wat de fatsoenlijke wreg is,” antwoordde Hirschfeld. Maar in zijn hart gaf hij De Leeuw gelijk, dacht aan het oogenblik, toen hij zijn verstand kwijt was geweest en Suzanne verworpen had voor de vrouw met een groote „Mitgift.” Hij werd somber door die overpeinzing. De Leeuw daarentegen, voelend wrelk een noodlottige gebeurtenis hij ontgaan was, ademde de lucht, de vrije lucht van den vrijen man, nu met volle teugen in, vond het vroolijk in de zonnige Kalverstraat met de gezelligheid van de marquises, die de straat een tintje zindelijkheid gaven, waarvan hij instinctief hield, en de Taksteeg inslaande, wijzend naar het kleine winkeltje en lezend het opschrift op de nog gekrijtsopte spiegelruit, lachte hij: ,,A la korrebije dèsss fleurssss,” imiteerend Pannekó’s stem.
„Een lief winkeltje, een héél lief winkeltje,” meende Hirschfeld.
,,Winkel-tje, winkel-tje!” beaamde De Leeuw, den nadruk leggend op het diminutief.
Boven schoof juffrouw Viissingen een raam op, boog zich er uit en een natte, rood-baaien onderbroek van Viissingen, versteld met een lapje op de bil, te drogen hangend over een droogrek, riep ze naar beneden:
„Dag mehair De Laiw\ dag mehair De Laiw, komt uwé al reis kaiken.”
„Madame, je vous salue. Vive la Corbeille des Eleurs!” riep de Leeuw7 vroolijk naar boven, glunderend met een blijde schittering in zijn oogen naar Hirschfeld, beiden lollig door het zien van de verstelde baaien onderbroek van Pannekó, hua