128
hoe hij hier, in Amsterdam, was aangekomen, met een geleenden gulden, op den bok van een diligence en nu, na tien jaar, had hij één van de grootste „Geschaften” in Amsterdam.
„Nichts wert die Hollander . . . Dreck haben sie im Kopf... Kin Deutscher steekt hundert Hollander in die Tasche. Es ware ein Gliick fiir Holland wenn Deutschland es annektieren würde ...” blufte hij tegen de arme Duitschers om zich heen, die tot hem dpzagen en niet vermoeden konden, waarvoor deze man zijn. welvaart gekocht had !
Lothar Richter sprak hem tegen. Hij had Holland lief gekregen. Zeker, hij hield ook wél van Duitschland, sogar viel . . .
En Elly keek hem aan. Zij wist, hoe haar „Schatz" verteerde van Heimweh. Zij had hem ‘s nachts wel eens stil hooren zuchten..
,,\Yeshalb seufzest I)u, Lothar?” vroeg zij.
Eens had hij haar geantwoord, omdat hij spijt had gedeserteerd te zijn, de domste streek van zijn leven. Omdat hij terug wilde naar Duitschland ... Er waren dagen, dat Lothar niet in de zaak kwam. Dan zat hij boven maar stil te soezen, neuriede Duitsche wijsjes, tokkelde zacht op zijn cither een ,,Uber Berg und Thai" en ,,Ich weiss nicht was soll es be-deuten” of ,,Haideröslein”. En in vlagen toornde hij op, sprak er van naar Duitschland terug te gaan. zich in arrest te stellen ... Zij troostte hem, kuste hem, sprak hem aan met de zoete, vleiende, Duitsche liefdewoordjes, mein Schatz, mein Lie-bling, mein Bubi, meine Wonne, mein goldenes Glück...” tot hij zachtjes bedaarde en een traan traag langs zijn wang biggelde..
Maar tegenover Hirschfeld verdedigde hij Holland. Richter voelde wel dankbaarheid voor den man, die hem vroeger geholpen had, doch hij haatte in hem het opsnijdcrige en het hondsche. Hij was een deserteur, goed. en hij was heelemaal geen man, die den naam van een Duitscher hier in eerc bracht, maar zulke ,,Knallprotzen” als Hirschfeld deden toch ontzaggelijk veel meer kwaad. Als hij zoo ’t land aan de Hollanders had, waarom woonde hij dan hier. Hij behoefde immers niet uit Duitschland weg te blijven. Hij mocht terugkeeren, wanneer ’t hem lustte ... En hij voelde afgunst, niet wegens Hirschfeld's rijkdom, ’t ging hem immers hier ook héél goed. en als hij over twintig jaar weer naar de Heimat terug mocht keeren.