127
voor hem het brood. Maar omdat werkelijk elke étaleer-dag schade bracht, engageerde hij een etaleur, die tegen extra betaling ’s nachts een nieuwe uitstalling maakte.
Hirschfeld lachte hem uit. ,,Ik sloot mijn Geschaft liever. Hart voor dat vuilnis ? Lumperpack, was het. Donderen moest je ze. Dan waren ze goed. Menschen ? Dat menschen ? Machines waren het. Hij had ze in zijn harde jeugd leeren kennen."
David de Leeuw zweeg, maar dacht in zichzelf: „Dat is de Mof weer. God beware de mensch, die afhankelijk van hem is." En met een krimping van zijn hart bedacht hij, dat ook hij afhankelijk van ze was, vastgebonden aan zijn zaak door hun crediet, dat ingevreten had als een ziekte, dat als een wonde was, die voortetterde.
Maar als David de Leeuw naijver gevoelde wanneer hij de orde en netheid, den vooruitgang en den bloei van de zaak van Hirschfeld zag en soms ontstemd thuis kwam als in zijn zaak zijn personeel, waarvoor hij zoo goed was, luierde en de boel verwaarloosde, — zijn kwade bui verging als hij de kinderen van Hirschfeld zag . . .
Wat had men aan allen rijkdom bij zoo r. gezin? Waarvoor tobde Hirschfeld zich af, exploiteerde hij zijn personeel ? Voor dat kinder-asyl? Voor die schuwe, tanige Russische Jodin, waarmee hij zich nooit liet zien en die de huishouding verwaarloosde. Want dat dacht de wereld.
Hirschfeld, welvarend geworden, kende in zijn verbitterd en mislukt leven maar één genot. . . dat was eten, véél eten. Het scheen, alsof hij in wilde halen de jaren die hij geteerd had op brood met margarine en slappe koffie. Men kende hem in alle restaurants. Daar déjeuneerde, dineerde en soupeerde hij overdadig, genietend van primeurs en lekkernijen, ongemakkelijk en hondsch voor de kellners en ze karige fooien toewerpend. Maar het liefst toch at hij in de Warmoestraat bij Lothar en Elly. Hij werd daar door Elly zelve bediend en zij zette hem de zware, zoete, met uien toebereide gerechten voor van de Zuid-Duitsche tafel. Hij betaalde hier goed, vond het prettig, royaal te kunnen doen tegenover zijn vroegeren metgezel in de armoede. Hij was ook wel te vinden om arme Duitschers hier voort te helpen met geld en met raad, vertellend luid op