69
was niet beschadigd. Die glazenwasscher kon anders goed boksen. Als hij een slag niet nog net op ’t jüiste oogenblik gepareerd had, zou hij nu zijn oog kwijt zijn geweest. Zijn hart begon sneller te kloppen bij die gedachte. Vreemd, straks was hij zoo dapper geweest en nu, nu . . . O God hij had het al meer gemerkt, nu was hij bang, laf, klein bezorgd voor zijn hachje. Hij deed zijn colbert uit, onderzocht zijn armen, zijn handen. Op zijn linkerarm, waarmede hij een slag gepareerd had, was een groote, donkerblauwe vlek. Het deed geen pijn, maar toch schrikte hij er van. Hem was het, alsof hij iets had laten beschadigen, dat niet van hem hoorde. Hij wreef er zachtjes over, ging naar de waschtafel, opende een doosje vaseline en wreef de vaseline zachtjes uit over de blauwe vlek en het was hem weder, alsof hij niet zichzelf maar een ander behandelde.
En nu begon hij ook te trillen, haalde moeielijk adem, had in zich de behoefte om weg te loopen, hard weg te loopen. te vluchten, hulp te roepen . . . Waarom toch? Waarom toch? vroeg hij zichzelf. Alle gevaar was nu toch voorbij.
Met zijn sterken wil bedwong hij zich. Gelukkig, dat hij niet zoo laf was geweest, tijdens het gevecht in de kamer. Daar was hij flink geweest. Dapper had hij de partij van de vervolgde en verdrukte vrouw op zich genomen. En hoe eervol had hij het veld geruimd, den man weigerend hen Shakespeare te ver-koopen. Dat was handelen in den geest van Shakespeare ... hij was een Shakespeareaansche held geweest . . . geen weifelaar zooals Hamlet, maar een durver . . . een durver, zooals Coriolanus . . .