181
Hij keek nu, over den doek, vragend naar Beer, hopend op een woord van berustigende lof.
Beer bleef zwijgen.
,,Nu?” vroeg Wentinck, de doek van ’t gelaat nemend . . . ,,ben je tevreden?. . .”
Weet je wat van Deyssel van zulk theater heeft gezegd . . .
„Verdomme!” riep van Delft, een dichte rookwolk opblazend en het vuureind van de sigaar onder zijn neus heen en weer bewegend. . .” die zeit net wat ik je zeg . . . Het was verduiveld mooi vanavond, verduiveld mooi . . . een ideaal bordeel . . .”
„En een bordeel-ideaal!” bevestigde Beer.
En ieder van de drie, elkaar aanziende, lachte veelbeteekenend op zijn wijze . . .
Rotterdam, 1916.