155
meesteel. Laatst‘is ie bij mij op mijn schilderzolder, ga ik naar hem toe en zeg: ,«Steek nou dat sigaartje eens van mij op. . .” „Neen,” zegt ie, ,,’kzal jeniet van je sigaren berooven, ik rook altoos mijn eigen sigaren . . en steekt er een uit zijn eigen koker op. Ga ik een Henry Clay, een twee-kwartjes sigaar uit zijn eigen kissie meegenomen, zitten opdampen . . . zegt ie: ,,’t is toch wat goeds, dat je daar rookt.. .” zeg ik: „Alles mogen ze mij nemen, maar een goed sigaartje moet ik hebben. . . .” Toen ie weg is, had ie zijn koker vergeten. Ik haal er als de bliksem zijn goeie sigaren, uit en stop er tien van zes om een duppie met mooi weertje toe van de markt in én stuur ’m zoo zijn koker terug. ...”
Hans hoorde naar het drukke praten van den armen schilder en zag hoe de arme componist, de man met zijn twee ongespeelde opera’s, voor zijn gezin de dessertschoteltjes in zijn zakdoek omkeerde.
Na het diner gingen de gasten naar boven, naar de biljartkamer, die grensde aan een groote voorzaal, waar een strijkje was opgesteld, dat dansmuziek speelde. Hij zag naar de schilderijen, die in zware gouden lijsten in de biljartzaal en in de voorzaal tegen de muren hingen.
Van Delft kwam naar hém toe.
„Als Focke straks over zijn schilderijen aan ’t opsnijden gaat, denk er dan aan, dat je ze allen mooi vindt. En als hij je naar de prijzen laat vragen, dan spreek je maar van duizenden alsof het zoo niks is. D’r zijn heel wat krengen bij, die ik hem heb aangesmeerd, maar meer dan honderd guldens heeft ie ook niet voor de grootste lap gegeven. Hij had alleen