128
„Wie is daar?” klonk het angstig.
,,Ik . . . Wentinck . .
„Wie . .„Ik . . . de . . . col. . . por . . . teur. . . van vroeger. . „W'at wil je?. . .”
„Doe nu maar open . . . doe in Godsnaam open ! . „Nee hoor... dit is geen tijd . . . Om elf uur ’s avonds . . .”
„Juist. . . om elf uur ... Ik kom juist zoo laat. . . je weet wel waarom ...” *
*
*
Midden in den nacht zag hij haar naast zich, in ’t vaal schijnsel van een patent-lichtje. Hij zag haar beenige kaak, haar ingevallen oogholten met de ge-sloten oogleden. Hij hoorde haar reutelend snorken en hij voelde de neiging haar zoo te smoren.
Toen zag hij weer de schim van Palamedes, met de paarse oogholten en den met bloed bedropen baard.
Hij huiverde, kroop ineen. Toen lag hij zijn hoofd zacht op haar dorre borst en snoof den geur van haar lichaam in, den prikkelenden geur, die hem weer opwond. . . .
Maar hij verzette zich . . . keerde zich van haar af. Hij bepeinsde den dag, de voorstelling, het diner.