90
standen, de bloem van den Gelaerschen adel, die echter als keukenmeiden met dubbeltjes en centen rekenden, ouderwetsche groote beugelknippen met grofzilveren boeren-beugels aan den gordel droegen, angstig eiken gulden wegbergend en weer centjes uittellend terug-betalend, terwijl zijn lieve, mooie engel zoo maar die zilveren pot vol goud en zilvergeld had neergezet onder het bereik van het publiek, dat verwonderd, begeerig en toch vol respekt zag naar die schijnbaar veronachtzaamde schat.
Het is een schandaal, ’t is een waar schandaal, — zei mevrouw Talinga ten Horst tot gravin Hoeftinck.
,.Ze heeft geen manieren.”
,,’t Is bepaald, bepaald verkeerd, dat wij haar hebben uitgenoodigd. Iets van de parvenue zit altijd in die menschen.”
,,Ze moest bescheidener geweest zijn ; zoo was het niet bedoeld. Onze bazar is een christelijk feest.”
„Het wordt voor onze eenvoudige meisjes onmo-gelijk
Adrienne merkte het wel en juist deze afgunst vermaakte haar, gaf haar een innig genot. Om vier uur was haar stalletje bijna uitverkocht. Zij had alleen nog maar bloemen. Toen kwam de palfrenier met een briefje. Ze las het haastig door.
„Om hemelswil Leonard, moeder is veel erger .... Ik ga dadelijk weg.... neen, alsjeblieft houd mij niet tegen .... ik . . . .”
Ze liep haastig naar gravin Hoeftinck.
„Mevrouw,” — zei ze, en in haar oogen kwamen tranen, — ,,mijn beste goede mama is plotseling al weer zieker geworden. Ik mag geen oogenblik langer