VIII.
Adrienne was zoodra zij weder thuis was, geheel veranderd, Leonard hervond haar weer, zoo als hij haar lief had gekregen. De stille, zachte, in zich zelve gekeerde vrouw. Zij had ook al haar voyante toiletten weer afgelegd, liep heel eenvoudigjes gekleed in een zwart costuum. En zij was een engel van geduld en liefderijkheid voor zijn moeder. Het scheen, of hij, haar man, niet voor haar bestond. Den heelen dag was zij bij haar schoonmoeder. Zij las uren achtereen voor om haar den tijd te korten. En alleen lektuur waar de zieke van hield, de wat theologiseerende romans van Jensen, de tam-vroolijke werken van Julius Stinde, de gelikte romans van Ohnet. Leonard stond voor iets onverklaarbaars. Dat was dezelfde vrouw, die op reis de werken van Jean Lorrain, van Marcel Prévost, van Abel Hermant, van Gyp en van Willy verslonden had? Zij, die nu langzaam rustig las, nadrukkelijk woord voor woord uitsprekend, opdat de zieke het goed zou verstaan en begrijpen, was dezelfde die na een dag van vermoeienis ’s avonds op bed tot diep in den nacht Aphrodite van Pierre Louys achter elkaar had uitgelezen, de bladzijden