8o
,,In Nice . . . . om ze te laten oppoetsen.”
Zij had hem daarbij rustig in de oogen gekeken. Maar hij was haar onschuldige kijkers gaan wantrouwen, had haar verder ondervraagd en na veel moeite en een bedreiging, dat hij aan den noodrem trekken zou en zich uit den trein zou laten zetten met haar, met behulp van de politie een onderzoek zou laten doen, had zij erkend, dat zij haar ringen verkocht had met haar broche en haar armband.
,,Verkocht? Zeg liever verpatst. Hoeveel heb je er voor gekregen?”
,,Nu .... wat ik jou gegeven heb . . . .”
,,Dat lieg je .... ”
„Nou, geloof het dan niet . . . .”
„Maar dat is diefstal. Die ééne ring van je alléén was het waard. Hoe ben je in godsnaam op de onzalige gedachte gekomen, juweelen die honderd jaar in onze familie waren; geschenken die je alleen al omdat ze van moeder geweest zijn, had moeten eeren als onverkoopbaar eigendom
En zonder verder een enkel woord met elkaar te spreken, waren ze naar Nijmegen gereisd. Hij nam zwijgend zijn beleefdheidsplichten jegens haar waar, opende de deuren van coupé s en rijtuigen, hielp haar bij ’t uitstijgen, maar het was het koel en machinaal doen van een man, die zijn toorn bedwingt en ondanks alles, tegenover een vrouw gentleman blijft.
Zij was heel bedeesd en onderworpen, scheen zelve veel te lijden door haar lichtzinnigheid, probeerde kleine vrouwclijke maniertjes om hem te verzoenen, door aan de wachtstations dadelijk een flacon cognac voor hem te koopen en sigaretten en Hollandsche couranten.