79
hem gezegd, dat hij een groot kind was, dat zij dan wel voor ’t geld zou zorgen.
Zij had zich gekleed en was uitgegaan. Hij had gedacht, dat zij iets van haar eigen kapitaal telegrafisch zou gaan opeischen. Want hoewel hij er uit kiesch-heid nooit over had gesproken, toch was hij er overtuigd van, dat zij eenig kapitaal van zichzelve had.
Een uur later was zij lachend en frisch van de stevige wandeling thuis gekomen, had hem een pakje bankbilletten gegeven.
,,Twee duizend vijf honderd francs? Maar lieveling, hoe kom jij daar zoo gauw aan?'’
,,Neen, vraag dat nu niet. Je hebt ze. Wees cr nu maar mee tevreden.”
,,Maar hoe kom je er dan aan? En zoo gauw?” Even flitste een gedachte vol wantrouwen door zijn hoofd.
Zij zag het aan zijn oog.
,,Ben jij jaloersch? Dat vind ik lief van je. Als je niet van mij hield, zou je niet jaloersch zijn. Nu . . . . dat is het niet hoor .... wees daar maar gerust op. Als het dat was, zou ik het je te voren zeggen .... dat zou ik mijn plicht achten.”
,,Heb je misschien je eigen kapitaaltje aangesproken ?” ,,Je bent er eindelijk. Was dat zoo moeilijk voor je om te raden?”
,,Vergeving, lieveling,” had hij verteederd gezegd. Maar in den trein had zij haar handschoenen uitgetrokken.
,.Kindlief, waar heb je je ringen?”
,,0 .... die ringen? Bij den goudsmid . . . .”
,,Bij welke?”