i68
mannetje kon nu letterlijk alles. Toen ie zeventien jaar was schreef hij al verzen in de Nieuwe Gids, die ik nu nog met bewondering nalees. Hij schreef romans, sociale studies, was altoos de frondeur. Hij liep alle directies plat met zijn tooneelwerken, blijspelen, tooverspelen, treurspelen in verzen, prachtige, statige, edele en verheven kunstwerken. Ik heb wel eens gedacht of ik dat manneke niet eens zou gaan maken — maar neen, ^ees niet jaloers Jozef, hij was me te leelijk en dan ook, dat ghetto-aterlinkje was Christelijk. Ja — waar hem dat was van aangewaaid weet ik niet — maar het schijnt, dat door alle kunstenaars een streep moet loopen. Zijn streep was het Christendom. Dus voor mij is dat joodje niets — ik houd van slanke, blonde mannen, van Engelsche gentleman-typen ....
,,Ik dacht, dat je alléén van mij hield . . .
„Dat doe ik ook, jij bent immers de incarnatie van den Engelschen gentleman en nog bovendien er een groot kunstenaar bij ... .”
Zij lachte inwendig, toen zij hem weer meteen in zijn domme, mannen-ijdelheid verstrikt zag.
„Nu dan, Jozef, dat zeldzame joodje, dat in elk ander land, al was het Rusland zelf, erkend zou worden, wordt door die vuile, schriele Nederlandsche plebejische boerenbourgeoisbende sinds een kwart eeuw vervolgd als een misdadiger. Als hij tien jaren geniaal aan een krant gewerkt heeft, dat is hem drie maal overkomen in de kwart eeuw dat hij worstelt, trappen ze hem er weg als er een middelmatigheid verschijnt, die een kruiwagen heeft. Ze houden hem uit al hun tijdschriften, omdat zijn werk een boog heeft, die de