eeuw, hebben zij tot een stoel onder zijn achterste verkocht, tot ie ten laatste op de Rozengracht op een bovenhuis hokte met een arme dienstmeid, een kind uit de onderste lagen, die meer voor hem heeft gedaan en hem misschien in haar eenvoud en echte vrouwelijkheid meer begrepen, dan al die zuur-calvi-nistische die femelende fijnen, die centjes verdienden door arme, moedige jongens op schepen naar de zwartjes te sturen om ze te bedriegen en af te zetten en zelve thuis zich rond en dik vraten en dan hun besjerpte buiken lieten uitschilderen voor het nageslacht.
.,Ben jij socialiste?”
,,Ik?” vroeg zij verwonderd. ,.Ik weet niet wat ik ben. Ik voel wel voor het arme volk, maar ze zijn zoo onverdraagzaam en afgunstig. De bourgesis haat ik om zijn valschheid en vooral om zijn schrielheid. Ik kan een gierig mensch uit een raam zien vallen en dan er bij staan lachen. En de adel, de Neder-landsche adel, dat is een bourgesie-troep zonder gevoel of smaak of kunstzin, welke alleen van den industrie-bourgeois is onderscheiden door pretentie op niets. Jij spreekt van hooge kunst. De heele Neder-landsche adel bij elkaar en de geheele Nederlandsche nijverheids-bourgeoisie. al die oude en al die nieuwe rijken bij elkaar in een landje van naar buiten uitbarstenden overvloed, heeft nog nooit één enkele cent overgehad voor de eigen moedertaal.”
„Maar Vampa .... nu overdrijf je toch . . .
„Wil ik jou nu eens een voorbeeld geven ? Ik heb te Amsterdam een arm joodje gekend. Hij was zóó hoog, ja bijna een dwerg als je hem zag. Maar dat onschijnbare mannetje was een groot kunstenaar. Dat