i47
„Ook dat talent?” vroeg zij.
Hij had met een jank als van een hond, zijn hand naar zijn wang gebracht. Zij zag, dat hij bang voor haar was. En zij vond hem opeens weer zoo jammerlijk hansworst-achtig, juist als toen ze hem als kermis-charlatan had gezien en ze zei:
„Laat mij nu maar gauw gaan.”
„Alsublieft dame,” zeide hij opeens overhoftelijk buigend, de deur voor haar openend en haar met overdreven beleefdheid uitlatend.
Toen ze op straat was, lachte ze fijntjes. Zoo’n pooiertje. Te doen of hij haar lichaam zocht, maar het slechts willend misbruiken ter wille van haar geld.
’s Avonds op bed lag zij na te denken. En voor zij slapen ging, had zij het besluit genomen Ham-foort naar Indië te volgen en op de boot hem te veroveren, tot hij een even willoos wezen in haar handen zou geworden zijn als de Clermont.