146
schap hebt. Die man bedierf alles dien avond.”
De toneelspeler knikte toestemmend. Ja, hij had zich van hem losgemaakt. De man ging nu naar Indië om daar met een klein gezelschap zijn geluk te beproeven. Hij was een dilettant Hamfoort, die zijn net winkelbediende voorkomen, wenschte te doen bewonderen en daarom de margarine-fabriek van zijn vader vaarwel had gezegd om op de planken te gaan.
Door het hoofd van Adrienne flitste meteen een plan.
Naar Indië. Hij, de slanke tooneelspeler Hamfoort, met een kleine troep. Die moest ze volgen.
Eenmaal aan boord zou zij hem wel weten te veroveren.
En zij begon erg op Hamfoort af te geven, op zijn lange armen, zijn onhandige bewegingen, zijn slecht geluid, zijn quasi-voornaamheid, zijn kunstgedoe.
De histrion liep er in, gepakt in ’t eenige waarin hij te pakken was, zijn blinde zelfingenomenheid, zijn domme, laffe ijdelheid. En daarna begon hij weer over zijn eigen schitterende toekomst te spreken en ging naast haar op de divan zitten en schikte dicht tot haar op. Hij legde zijn arm om haar middel. Zij weerde af. Maar hij werd haast gewelddadig, begon nu weer zachtjes met zijn voor-in-de mond rrrrs aan haar oor te spreken, heette liefdewoordjes, uit rollen bijeenverzameld. Toen zij zich bleef verzetten, werd hij opeens grof. ,,Kom, niet zoo tegenstribbelen. Bij mij komt er geen een in de troep of ik moet mij eerst op alle manieren van haar talenten overtuigd hebben.”
Zij gaf hem opeens een fikschen draai om zijn ooren.