136
Hier blijven, een begeerde weduwe tusschen den Gel-derschen adel of.. . . of.. . .
Ja wat?
Daar zat ze nu. Ze had alles. Stand, fortuin, jeugd, schoonheid, gezondheid, levenslust en vrijheid, heerlijke, ongebonden vrijheid. Maar ze was eenzaam.
Wie en wat zou haar eenzaamheid vullen ?
Zij kon tot geen besluit komen, schelde, zei tot de kamenier, dat zij het bad voor haar moest gereed maken.
Nog voor zij naar de badkamer ging, had zij reeds een besluit genomen. Zij zou alles hier verkoopen en verlaten, wilde alle herinnering aan de Clermonts kwijt zijn. Het was eene episode in haar leven geweest, waarvan zij als trophée den naam meedroeg. Maar wat zij nu beginnen zou, wist zij niet. Hertrouwen ? Dat zou een nieuwen band geven. En zij wilde geen band. Zij wilde vrij zijn, voluit en geheel vrij. Dat wist zij. Wat zij met haar vrijheid doen moest, wist zij niet. En die ongewisheid maakte haar bedroefd, met echte bedroefdheid.
Het bad was gereed. Zij ging in de slaapkamer, waaraan de badkamer grensde en ontkleedde zich langzaam, bedekte heur haar met een taffen muts. Zij stapte in het bad, liet de douche over haar schouders, borsten, rug regenen, sprong uit het bad, droogde zich af, kamde heur haren languit en ging toen voor de psyche staan.
Zij vond zichzelve schoon. Rechtop en slank stond zij in het late maar nog heldere middaglicht voor den spiegel en bekeek zichzelve, zooals zij een vreemde zou bezien hebben. Zij liet heur zware, vergulde haren langs