135
Hier, te Nijmegen, vond zij in ’t heele huis van de Clermonts niet één enkel werkelijk kunstwerk. Er hingen een paar wei-stukken, portretten van koeien in de wei, goed voor een slagerswinkel; een paar goor-kleurige binnenhuizen, voorstellingen van versufte plebejers, die aan ’t bidden waren voor een schotel aardappels met margarine. De slaafsche schilders hadden die makke, feodale lummels met een kleurtje opgesierd en dat gaf aan de rijk geworden burgers en hun femelende vrouwen den indruk, dat zij „stemming” kregen en van kunst genoten. Zij voelde het huis als een rooversnest. De Clermonts waren rijk geworden door de exploitatie van steenbakkerijen langs de Waal. Heele geslachten van mannen, vrouwen en kinderen hadden steenen moeten vormen en bakken, van de jeugd tot het graf, van den morgen tot den avond, opdat eene de Neuiville zou kunnen luilakken en de groote dame spelen en heur zoon zijn vernuft kon spitsen om ketels te doen fabriceeren, waarin bocht wordt gebrouwen om men-schen mee te bedriegen, die tot op hun doodsbed geparfumeerde foezel, waarop het etiket ,',Cognac” was geplakt, dan als geneesmiddel kregen ....
Zij zat stil te peinzen en voelde geen oogenblik geweten van haar levenswijze. De Clermonts hadden de arme stumpers in de steenbakkerijen als slaven behandeld, zonder eenig ander doel dan om zelf de groote heeren en de groote dames te spelen. Zij, Adrienne Straning, had op haar beurt de Clermonts weder geëxploiteerd. En niet onhandig, glimlachte zij.
Zij ging voor den spiegel staan. Wat zou ze doen?