133
zoo zij al was ’t voor een kapitaal, een jongen man bereid vond, haar passie te koelen? En indien er nu eens jonge mannen waren, die juist veel van oude vrouwen hielden? Wie had wetten gesteld voor den leeftijd in de liefde ? Ging de oude David niet naar de jonge Bathseba?
En nu—- zou ze het stamhuis van de Clermonts te Nijmegen behouden? Zou ze er de rijke, schoone douairière gaan spelen?
Zij doorliep de kamers, bleef in de kleine kamer zitten, waar zij het eerst, als voorlezeres gewoond had. Dat oude canaille had haar gedwongen eiken morgen en eiken avond voor te lezen. Met welk recht? Een jaar lang was ze de slavin geweest. Wat had dat oude canaille, dat zij tot aan haar dood als een slavin verpleegd had, uit slavennood een engel zijnde aan een ziekbed, waaraan zij een duivelin had willen zijn, heur geheele leven gedaan om als een vorstin in een paleis te resideeren? Niets, dan zich de moeite genomen als een de Neufville wel op de wereld te willen komen, een man te trouwen van stand en fortuin en voorts levenslang de luie opeetser van den arbeid van anderen te zijn. Zij haatte den adel, vooral dien boerschen Nederlandschen adel, dien zij suf, dom, aanmatigend, laatdunkend en gierig vond. Waarvan de mannen in hun jeugd allen perverse doordraaiers waren, dan geposeerd werden en met dorre freules trouwden, die dan de moeders werden van nesten achterlijke kinderen, waarvan er altijd minstens twee idioot waren en de anderen werden opgeleid tot ezelsdomme diplomaten, vuige advocaten en sadistische rechters, die niet meer zooals in het feodale tijdperk, hun vuile