Ze maakte een afwerend gebaar.
„Een beetje geluk? Dat kan jaren uitblijven. Soms komt het nooit. Als het geluk je wil, komt het net zoo goed dadelijk aan de speeltafel als na jaren werken. Daar gaan je jeugd en je mooiste jaren mee heen en je krijgt geld, als je er niets meer mee doen kunt. Als je door werken en talent altijd vooruit kwam, zouden er niet zoo veel knappe lui verhongeren en stommelingen zoo als Withworth, millionairs zijn. En dan vooral in Holland .... daar krijg je als ingenieur heelemaal niets te doen. Ik heb gisteren juist in de krant iets over Wenckebach gelezen, die man die in Holland de telegraaf heeft aangelegd. Dien hebben ze ook tegengewerkt alsof hij een vijand van de menschen was. En toen hij eindelijk zijn geniaal werk er door had, is hij ergens in een gat, ik geloof in Wijk bij Duurstede gestorven aan de jicht, die hij bij het leggen van de kabels had opgedaan. Het werken is goed voor de dommen.”
,,Ik kan naar het buitenland gaan,” zei hij zwak.
„Daar wachten zij niet op een Hollandschen ingenieur. Daar zijn er duizenden .... dat is goed als je veel geld hebt en je kunt zelf een maatschappij vormen .... neen, Leonard wij moeten, moeten geld hebben . . . .”
„Maar ik heb zoo goed als niets meer.”
„Ik heb nog altijd wat.... Ik zal mijn kapitaaltje opeischen . . . .”
„Lieveling!” zei hij. Hij omarmde haar. Zij liet zich kussen, maar zij beantwoordde zijn kussen niet.
„Ga vandaag nog naar de bank, leen maar wat van Withworth. Je kunt het aan het einde van de