IOO
verboerschten Franschman vond, voelde zij een zekeren onwil, iets van spijt en sprak met hem met een zekere gemelijkheid, een opkomenden hekel aan haar echtgenoot met moeite bedwingend.
„Leonard,” zei ze na den „jour des drags”, „wij blijven hier, verspelen veel geld en eigenlijk hebben wij er niets aan.”
„Ja . . . .” antwoordde hij, blijde dat zij ook eens aan het geld dacht .... „wij leven beslist te duur.”
„En toch is ’t nog maar knoeien; wij hebben niet eens een eigen stal.”
„Dat geloof ik ... . niet eens een eigen stal .... weet je wel dat je doorvoor millionair moet zijn?”
„Hoe veel bezitten wij eigenlijk?”
„Wij?”
„Ja .... is dat soms een geheim?”
Zij vroeg het scherp en keek hem minachtend
aan.
Als je gierig wordt, zal ik je leeren dansen .... dacht ze in zich zelf, maar zij zei niets en bleef met afgewend hoofd van terzij op hem neerkijken.
„We zullen ruim vier ton hebben” ....
„Is dat alles?”
„Alles ?. . . . dat is een groot kapitaal, ten minste voor Nederland.”
„Mijn hemel, dat is niets als je een beetje makkelijk wilt leven. Mr. Withworth heeft gisteren zijn vrouw een paar boutons de la reine voor een kwart ton gekocht, en de vorige week heeft ie misschien eens zooveel met poker verloren.”
„Ik ben geen kanonnen-koning, kind. Als je eens bedacht, hoe veel moeite het mijn wader en mijn