99
kalm gebaar, in de hooghartigheid van hun wezen.
Zij beminde dat voorname doen, dat wederzijdsch royaal en loyaal zijn, zonder dat ze schijnbaar van die deugden bewust waren. Zij gevoelde geen voorkeur voor eenigen Engelschman in ’t bijzonder en ook dat viel in haar aard, dat deze correctheid in doen en laten geen uitzondering maar regel was, waardoor men niet van de individuen afzonderlijk, maar van de soort kon gaan houden, wat zooveel makkelijker is. Zoodra Engelsche jongelui en Fransche jongelui bij elkaar waren, gevoelde zij zich instinktmatig tot de Engelschen te behooren, vond iets plebejisch in het drukke der Franschen, die naar haar zin te veel beleefdheid in woorden en betuigingen en te weinig echte hoffelijkheid in de daad bezaten, te weinig eerbied vooral voor de vrouw toonden. In de Frangaises haatte zij den kleinzieligen strijd om en de makkelijke overgaven aan den man.
Deze Engelschen, die zich in smoking-rooms en dress-rooms dadelijk comfortable gevoelden, zich rustig en gemakkelijk neerzetten in de aangename stoelen, met elkaar spraken en speelden en rookten alsof zij geen ander home hadden dan het hotel, al waren zij een uur te voren aangekomen, deze Engelschen allen welgebouwd, allen heeren in gebaren en in kleeding, welverzorgd^ zonder het Fransch-fatterige, ,,smart” maar niet „chic”, waren haar zeer sympathiek.
Zij sprak vrij vloeiend Engelsch, kende Poe, Blake en Wilde, en zij las ook wel graag een detectief-geschiedenis van Conan Doyle. Haar sympathie was dan altijd bij den misdadiger.
Als zij nu Leonard beschouwde, dien zij een wat