265
haven kon zien met de bedrijvigheid aan boord van de schepen. Ze zaten rond een lange tafel, met boekjes voor zich.
Achter een beschot zaten de plaatsknechten, in blauwe boezeroenen met hooge zijden petten op de gezonde, buitenluclitskoppen, in den mond kleine zwartgerookte neuswarmertjes. En ’t geroezemoes van stemmen werd stil toen een van de kooplieden aan de tafel in ’t midden begon af te slaan „een oortje min vijf-en-twintig cent, twee oortjes min twaalf...” Herman snapte er niet veel van. Maar de vangst moest niet tegengevallen zijn, want de reeder was tevreden, de haring was prijzig.
Op straat ontmoette hij Klaas.
„Ga je niet naar huis Klaas?”
„Neen mijnheer, nog één haringreisje. ’k Slaap nou in Vlaardingen in ’t Zeemanshuis.”
Dat was een nieuw gebouwd huisje, met een gezellige gelagkamer en boven heldere, vroolijke slaapkamertjes, zindelijk en frisch.
„Dominé James heeft het voor ons menschen opge-gericht”, zei Klaas. „Vroeger, zie je, als de vrouwen van ons zomervisschers of van de Schevelingers hier ’s nachts op de schepen moesten slapen, dan gebeurde d’r te veel. Zie je, ’t is d’r goed — daar heb ik niets op aan te merken — maar ’t is me wat begrootelijk drie kwartjes op een nacht met je vrouw. Ik blijf daarom vannacht maar weer aan boord slapen — dan heb ik morgen de drie kwartjes in mijn zak gehouden en mijn vrouw moet maar in Schagen blijven. Na dit laatste reisje ga ik weer naar mijn koetje — en dan rusten we van den winter uit.”