262
dames te wuiven met zakdoeken, en de vrouwen staan er ook — mijn vrouw ook — dat is een pak van mijn hart.”
„Geef mij je hand maar eens, schipper. Ga je een dag met me mee naar Amsterdam? Dan zal ik je de „Artis” laten zien en het Wassenbeeldenspel en het Circus en groote café’s.”
De groote, blauwe oogen van den schipper schitterden van vreugde.
„Dat is mooi van je, Cheffie. En zie je, ben ik nou niet dadelijk te astrant als ik je meteen nog wat vraag ?”
„Wel neen.”
„Zou je me dan ook het graf van de Ruyter eens willen wijzen en van Bestevaer en van Van Galen? Dan hoef ik niet in de café’s, want zie je, ik drink nooit en van de wereldschheid houd ik niet.”
„Je zult alles zien wat je wilt en we gaan in een restaurant eten — een beetje anders dan in de kajuit — met servetten, glazen en bloemen op de tafel.”
„Zouden ze daar nou wel een schipper toelaten, Cheffie ? En zouden ze niet lachen als ik niet zoo erg met een vork en een mes kan omgaan. Zal ik maar niet liever een broodje meenemen van de vrouw? Daar is ze, dag Grietje, dag Grietjeèèèèè!”
De visschers dicht bij elkaar keken naar den wal. Herman zag er twee dames — en den reeder en zijn ouden Vlaardingschen vriend. De „Jeannette" laveerde de haven in. Herman drukte den visschers allen de hand. Toen klom hij tegen een steigertje op; hij herademde, hij was gered, hij had zich zelf beproefd, hij had wat gedurfd en hij voelde dat zijn durven hem