260
twee zwarte, kleine, ronde oogjes. Hij voelde het warme lijije van het dier in zijn hand trillen.
„Heb je hier een kooitje ?’"
„Neen,” zei Aai, „maar dat kan ik wel voor je maken van een leeg sigarenkistje. Maar je houdt hem toch niet in leven, hij is over zijn kracht gevlogen. Laat hem maar los.”
Herman hergaf het diertje zijn vrijheid ; het vloog op ’t dek, bleef daar tam en moe zitten. Het kopje in de vlerken, de veerenop; een poosje later viel het om op den rug, met de pootjes gekromd naar boven en de oogen gesloten. De visschers, die boven gekomen waren, stonden er om heen.
„Alle levens zijn in Gods hand, mijnheer !” zeide de schipper. „Maar daar komt een stoomboot aan; we moeten ons laten binnensleepen.”
De groote stoomboot kwam hun dicht op zijde. De schipper nam de roeper en antwoord volgde.
De stoomboot was zoekende naar een bom, die reeds tien weken weg was en die men vreesde dat met man en muis was vergaan.
Het sleepgeld werd besproken.
„’k Moet er wat aan afdingen. Want alle mannen moeten ’r wat aan bijdragen, dat’s gebruik, zie je, mijnheer !”
De kabel werd toegeworpen en de Jeannette, met de zeilen wijduit, als een groote zwemvogel, schoot nu door ’t water, getrokken door de zwarte stoomboot, die haar voorttrok als een vreemd, donker zeemonster, een dikke rookpluim opstuivend uit den schoorsteen, als een zwarte adem.
Herman’s hart klopte ; het ging hem nog te langzaam.