259
groeid en nu het alles geleden was en met het zoete vooruitzicht van de spoedige thuiskomst, popelde hij van blijdschap. Hij zette zijn hoed op en ging naar dek. De schipper volgde hem.
„Nou zal ik u maar weer mijnheer noemen, hé, nu u weer boordjes draagt en manchetten?” vroeg de schipper vertrouwelijk met een knipoogje. Aan boord was men trotsch op den passagier.
„Zoo mag ik u zien, mijnheer. Zóó is het beter dan met dat soldatenbroekkie aan en die slaapmuts op.”
De visschers in hun heldere keezjakken met nieuwe broeken aan en nieuwe petten op, gewasschen en enkelen geschoren, waren vroolijk. Zij spraken over huis, over de vrouwen, over de kinderen. Ook zouden ze ditmaal een Zondagje thuis kunnen blijven.
„Als ’t nou maar niet met dien jongen was gebeurd,” zei Piet de stuurman.
„Nou wachten de vrouwen ons ook niet op aan :t hoofd.”
„Misschien toch wel,” meende de schipper. „Want ze komen niet aan ’t hoofd, omdat de vrouw of de moeder van den man die gebleven is, niet nog bedroefder zal worden, als ze ziet dat al de anderen d’r mannen of kinderen wel vinden. Maar nou is ’t al bekend door den brief en ze kan thuis blijven.”
Er kwam een vogeltje aan vliegen en dat zette zich vlak bij hem op den rand van de verschansing.
„Sjuut, een goudhaantje”, zei Aai. Hij sloop er zachtjes op toe en wierp een schepnetje over’t diertje — en hij bracht het aan Herman.
Het had een geelgoud borstje, een dun, spits snaveltje en donkere, zwarte vleugels. Herman keek naar de