257
hooger het Kurhaus met zijn vele verlichte vensters als een sprookjespaleis. En de vuurtoren met zijn wissellicht van rood en wit scheen helder en even meende Herman te hooren, dat de wind muziek aandroeg van ’t strand.
„Komen wij er nog van avond?”
De schipper schudde het hoofd. De barometer was plotseling gedaald; de zeilen werden gereefd.
Herman had ver boven het strand een rossen gloed in de lucht gezien, de weerschijn van ’t Haagsche avondlicht. Maar moe van ’t verlangen, werd hij dof en traag, kroop te kooi en sliep spoedig in.
Den volgenden morgen boven op dek komend, het was al laat, was het strand uit ’t gezicht verdwenen. Het had den ganschen nacht gestormd en de wind was gedraaid.
Herman wou wel schreien. Zoo dicht bij huis en nu weer afgedreven. Zou die reis dan nooit eindigen ? Hij ging bedrukt naar de kippebank en staarde lusteloos over het wijde groene vlak, dat heel rustig was, als moede van het nachtrumoer.
De schipper kwam bij hem.
„De wind is weer goed; we hebben nu weer een gelegenheidje. Als ’t zoo doorgaat zijn we vanmiddag thuis. We zullen ons er maar op gaan kleeden en schoon schip maken.”
De schipper gaf zijne bevelen, allen kwamen met putsen en boenders en het dek werd helder geschrobt. Het ruim werd leeggepompt, tot de pompen lens waren; de pijp van de machine, die de donkey in beweging bracht, werd zwart en glimmend geverfd met lijnolie. Dan gingen de visschers zelf toilet maken.
Een Droomer ter Haringvangst.
17