255
ligheid, muziek — en weer wenschte hij zich vleugelen.
De schipper kwam boven.
„Cheffie, zie je daar niets?”
Herman tuurde, nam den kijker, tuurde nog eens, maar zag niets.
„Daar is land, Cheffie.”
Herman’s hart begon te kloppen. Hij bleef naar de aangewezen streek turen. Na een half uur eindelijk zag hij een donkerblauwe streep.
„Is het dat, schipper?”
„Dat is het, Cheffie.”
Zij zagen nu geen visschersschepen meer, doch wel groote stoombooten.
„Ik wou wel graag weten of het de Hollandsche kust was,” zei de schipper.
„Weet je dat dan niet? Kan je dan niet op je kompas zien?”
„Ja, dat wel, maar ’k zag toch liever een vuurtoren snap je?”
Herman werd ongerust. Maar daar zag hij plotseling twee bruingrijze kleine vogeltjes, die zich op de sporten van de weeflijnen neerzetten. Ze begonnen te piepen en te tjilpen.
„Twee houtmussies, Cheffie. Ze zijn zeker verdwaald en konden niet tegen den wind meer op.”
Herman had de vogeltjes graag gekust. Hij brokkelde een paar stukjes beschuit fijn en strooide het op ’t dek. De muschjes, uitgehongerd vlogen eerst schuw weg, maar later kwamen ze nader en begonnen te pikken, met kleine driftige pikjes.
Boven in de lucht zag Herman nu veel vogels.