254
een peereboom bij z’n huis, die nu wel vol vruchten zou zitten.
En Herman die bij den stoeren kerel stond, met zijn ros baardje en zijn vol gezond, bloedrijk gezicht, zag dat stalletje met het koetje en een peereboom en het stukje groenteland. Zijn heimwee naar den wal groeide aan. Hij wenschte zich vleugels als de kolten ginds, om weg te kunnen vliegen van het schip.
„’k Heb nog aan Willem voor de reis een zoetemelksch kaasje van mijn eigen koei verkocht,” besloot Klaas.
„Heeft-ie dat nog?”
„De helft nog. Want hij eet er alleen Zondags van.”
Herman, begeerig, zat van het eten aan boord, de gekruide Leidsche kaas, de kaak, de boonen, de erwten, ging naar beneden in ’t vooronder.
De visscliers zaten voor de kooien en dronken de morgenthee.
„Goeden morgen, mannen. Willem heb jij dat kaasje nog?”
„Van Klaas?”
„Ja, dat zoetemelksche kaasje.”
„D’r is nog een helft van.”
„Wil je mij dat overdoen ? Wil je’t mij verkoopen?”
„Verkoopen, neen, dat niet. Maar je kunt er wel een stuk van krijgen.”
Herman nam een stuk aan. Hij liep er mee naar boven. Het was een brok gele Edammer, en Herman, gulzig, graag, at het stuk op uit de hand ; het was een lekkernij. En hij dacht aan de spoedige thuiskomst ; straks zou hij alles weervinden — een gedekte tafel, vleesch, wittebrood, vruchten, bloemen, gezel-