253
„Dat zijn kolten, mijnheer. Daaraan kan je zien dat je dichter bij land komt. Dat is een vastteeken. Ben je niet blij dat je nou gauw thuis bent?"
„Zeker Klaas, en jij ?”
„Ik ook — want ik ga nou naar huis, naar Schar-woude want — daar woon ik, zie je, met mijn vrouw en mijn dochter. Ik vaar ’s winters niet, dan boer ik een beetje en tegen Sinterklaas gaan we met z’n drieën koek venten. Als d’r nou ijs komt, dan zetten we van den winter een tentje op en mijn vrouw kookt saliemelk en sokola, en dan hebben we wel dagen van een dikke vijf guldens gemaakt. En dan tegen het voorjaar, voor m’n eerste reis, werk ik een beetje bij den boer — zoo scharrelt nou Klaas zijn kossie op, mijnheer.”
„En ben je nogal tevreden, Klaas?”
„Best, mijnheer. Iedereen kan niet rijk zijn, en als je bij mij kwam, zou je zien dat er geluk in mijn huissie is. ’k Heb een klein huissie zie je, en dan een stukkie grond er bij in pacht, daar plant ik groenten: spruitjes, doperwten, tuinboontjes, worteltjes. En dan pacht ik ook elk jaar een stukkie grasland van den dijk, dat is voor ’t koetje. Ik heb verleden jaar aan een koetje veertig gulden verdiend met de kaas en de karnemelk er bij — en de kosten voor ’t grasland er af. Maar dat was dan ook een best beessie, dat was een loterij, ’k Had hem te Purmerend gekocht; toen vrat-ie in ’t eerst zooveel, dat ik dacht ik heb me vergist. Maar toen-ie eerst doorgevreten was, jongen, jongen, wat was dat een prachtbeest.”
Klaas, aan ’t roer, praatte door over zijn grasland, zijn koetje, de koeien van zijn buurman, de pracht