252
met de zeilen wijduit, die de westenwind bol blies, was als een reuzenvogel, met breede vleugelen scherend langs het water.
„Gooi het log ’ns, Piet.”
Piet zette het log uit. Na een half uur haalde hij ’t op.
„Zeven knoopen,” las de schipper, „’t Is een beste zeiler, dit schip. Het gaat als een snoek.”
Er was groote blijdschap aan boord. Men tuurde den ganschen dag naar den einder. Herman leefde op. Hij voelde dat hij dieper, ernstiger, ruimer was geworden. De reis met zijne ontberingen had hem gesterkt, geestelijk en lichamelijk. En nu, na ruim vijf weken zwalkens, altijd alleen met zijn gedachten en droomen, voelde hij zich nieuwe, frissche gevoelens, en hij had een innig verlangen om er eindelijk weer te vinden, die meer van hem begrijpen konden, dan deze trouwhartigen om hem heen.
Hij kon ’s nachts niet slapen; hij bleef op dek en keek naar de maan, zilvrend over de golven en naar de forsche wolkenstoeten en de sterren — het was hem of hij ging scheiden van een wereld vol onbereikbaar schoons.
Hij had ze lief gekregen de donkere, geheimzinnige luchten en de vreemde hemelkoren met de mysterieuze levens; maar van de donkere zee hield hij niet. Hij voelde iets vijandigs in haar, iets valsch, iets verraderlijks — het land was beter, was trouwer, was eerlijker en veiliger.
Tegen den morgen zag hij groote troepen zwarte vogels vliegen.
„Wat zijn dat voor vogels, Klaas?”