Maar geen van de visschers wou liet dier verdrinken. De schipper pakte Bruin plotseling met een ruk op en wierp hem over de verschansing. Geen keek naar het beest, dat zwakkelijk met de voorpooten werkend, het schip zwemmende volgde.
Maarten wilde er naar zien.
„Zal je je wel eens omkeeren, jongen,” zei de schipper.
Maarten keerde zich om, alsof hij wat slechts gedaan had. De hond zwom nu nog alleen maar in een kring en volgde het schip niet meer. Daarna hief hij zich halverwege op uit het water en verdween.
Dien dag was er weer gedruktheid aan boord. Men voelde dat er een ziel minder geteld werd. En ook dachten ze allen weer aan Gerrit.
„Mijnheer, wij gaan vandaag naar huis. Heeft de schipper ’t u nog niet gezegd?”
„Neen, hoe weet je dat, Jan?”
„Wel, ’t groote zeil wordt van middag aan den fok geheschen en dan gaan we naar huis.”
Herman liep naar het achteronder.
„Gaan wij vandaag naar huis, schipper?”
„Ja, de wind is goed, wij hebben genoeg gevangen, en er moet nog een kort haringreisje na deze gemaakt worden. Die duurt maar veertien dagen en dan gaan we visschen met den beug.”
„Maar waarom heb je dat niet dadelijk gezegd?” „’t Lei aan den wind — en dan, dat is gebruik. De schipper houdt het oogenblik van de thuisreis geheim!”
’s Middags werd het groote zeil geheschen en werden ook de andere zeilen opgezet. De Jeannette, volgetuigd