244
smartlijnen doorgroefd. De ontevredenheid met zijn hard noodlot, de hopeloosheid dat ooit te zullen ontgaan, de ernst van zijn zorgvolle gedachten, de verstoordheid over het derven van zijn nachtrust, de verveling van de wacht-uren, eenzaam in al die drukkende grijsheid rondom, heel een aaneenschakeling van tegenheden was zóó in dat oude gelaat gegroefd, dat het geworden was tot een standaardkop van nor-schen, stuggen ernst.
Het was Herman of hij dien kop nogeens gezien had, lang, lang geleden. Waar kon het geweest zijn ? En wanneer ? Hij peinsde, tuurde met de oogen half gesloten, dat het lantaarnlicht daarin bevende, rosse stralen schoot, als kon ook het licht schreien, naar de vreemde landen van herinnering. En in een langen optocht aanschouwde hij de menschen, die hij in zijn leven gekend had, lange stoeten in gelig licht voortschrijdend over een donkere nachtheide. En hij zag de velen, waarvan hij had gelezen, de velen, die hij voorgesteld gezien had op de schilderijen — o, vooral stoeten van schilderijen van Rubens; hij zag de gestalten van de gebroeders De Witt, gelijk hij ze eens op een ets had gezien, de lichamen naakt, verminkt, gesneden, gekerfd, met de voeten hangend aan een galg en de verschrikte bleeke hoofden met het los hangend haar naar beneden als gebroken witte bloemen en heel beneden bij ’t schavot het angstig gelaat van een man, die een toorts hooghield, ros die verschrikking verlichtend. Voortdroomend zag hij plotseling het gelaat van dien hij zocht — dat was hij, dien hij eens meende gezien te hebben — hij herkende het gelaat van Giel, hij wist nu wiens kop deze visscher