242
„Laat zien!” zei de Scheveninger.
Herman stak zijn hoofd boven de verschansing uit.
„Wat ’s dat voor een stuk matroos met een bril op?” vroeg de Scheveninger.
„Een passagiertje — hij wil naar huis !”
„Hij kan overkomme. Maar als de wind draait gaan we weer visschen. Wij hebben nog veertig netjes over.”
Herman keek den schipper vragend aan.
„Ik zou maar hier blijven, Cheffie. Als wij nog een paar goeie vangetjes hebben, gaan we zelf naar huis.”
Ze zeggen, dat je in de gevangenis beter eet dan op een bom. Want daar hebben ze geen kok; ze koken maar hoe ’t uitvalt. D’r wordt gevloekt om om te vallen. En als d’r kwajen aan boord zijn, zien ze er niet tegen op om met een mes te vechten.
In IJmuiden hebben de heeren een mooi huis voor de visschers ingericht. Als je nou ’s winters bij de vischafslag geweest bent en je gaat niet naar huis, dat doe je maar om de drie reizen, dan kan je daar wonen. D’r is een mooi lokaal bij, waar je koffie en chocolaad en brood kan krijgen, en ook krijg je er mooie boeken te lezen. Maar de Scheveningers hebben ’r de wrok laten zitten. D’r is nou geen enkel boek meer — die hebben ze allemaal meegekaaid. Ze staken de kommen van de chocolaad zoo in d'r zak en wouën ze meenemen. Pas maar op, mijnheer, als je op zoo’n bommetje bent.”
„Dan blijf ik maar liever hier, schipper!”
„Zoo mag ik je hooren, Cheffie. Nou, ik zal ’m den brief meegeven.”