239
schoenen en als je bij ’m thuis kwam, hingen de zijen spek voor schilderij aan de muur. En nou verdien je drie guldens meer en alles is goeikooper geworden en je hebt niet genocht. Waar zit ’m dat nou in?”
„Niks anders als de moderniteit — daar zit ’t ’m in — niks anders.”
„Wil je opstaan, Cheffie?”
„Ja schipper, ’t wordt mij hier te benauwd. Zit ’ns op — laat mijnheer er door.”
Herman kwam aan ’t dek; ’t was donker op zee, maar er woei een heerlijke, frissche wind en de hemel was vol sterren. Hij staarde over de verschansing en keek over de zwarte zee naar de dansende lichtjes aan den einder.
Dus hier ook. Hij was uitgevaren om het roode spook te ontvluchten — maar het had hem vervolgd en daar opeens was het opgedoken. En nu niet als onvermijdelijk begeleidster van snorrende vliegraderen in dompige fabrieken maar hier, midden op zee, bij mannen, wier karakter gevormd kon worden in den strijd met de elementen, bij de nakomelingen van het beste en zuiverste volk uit Holland, de laatste geuzen, laatste zeilschipmatrozen, het kernvolk, dat de stut van Hollands troon zou zijn als daar gevaar zou dreigen, door twist van buiten of van binnen.
En hij moest het zichzelf toegeven, al verdween daar zijn liefste ideaal — dat oud-Holland nog in ’t Hol-landsche visschersvolk leefde — daar was reden tot ontevredenheid. En als moderne menschen wilden ze meer levensgenot — nu er zooveel was gestreden en ontbeerd door de Hollandsche geslachten vóór hun. Wat hadden ze meer dan hun grootvaders met zilveren