238
haring . .. dat Herman, wien het brommerige spreken lier lage stemmen verveelde en die benauwd werd in de dikke sigarenrook van ’t kajuitje en de vischreuk die de lichamen der mannen aankleefde, in sluimering viel. Maar dan — was het droom geweest — of hoorde hij het hier werkelijk ...
„Dat kan immers nooit — alle menschen gelijk. De socialisten kennen dat wel zeggen, maar wie zou dan voor de visch zorgen? Je zag nooit meer een visch op tafel. En als ik drie dagen thuis ben, verlang ik al weer naar een vissie.”
„Wie spreekt er nou van allemaal gelijk. Twee reizen geleden waren de socialisten in Vlaardingen. D’r waren maar weinig schippers en visschers in de zaal — meest kuipers en ander volk. Maar toen zeid-ie, hoe heit-ie ook weer? . . .”
„Dommela?.. .”
„Neen, die was ’tniet —een mager ventje was ’t, met een rood snorretje, uit Groningen of zoo ergens vandaan.”
„Traveleur? .. .”
„Ook niet — afijn, ook zoo’n sociaal, en die zei datto we een menschwaardig bestaan moesten hebben en dat de boekhouders rijk werden.”
„De boekhouders steken d’r cente der in. Heb jij soms centen om ze in een schip te steken ? En ze verdienen niks in de laatste jaren. Dan was het heel wat anders in den goeden ouden tijd!”
„Goeien ouden tijd — ’t zou wat. Toen verdiende een matroos vijf guldens.”
„Mijn grootvader heit nooit meer verdiend. En hij had toch echte zilveren gespen op z’n Zondagsche