en de groote zilveren van ’t Genootschap tot redding van drenkelingen uit Rotterdam. En d’r hangen twee schilderijen aan den muur in mijn voorkamer, boven liet kassie met de medailles, en al hadden ze mijn huis vol rijksdaalders gedragen, Cheffie, dan zou ik niet zoo in mijn schik geweest zijn als met die medailles en die diploma’s’’.
„Wat is dat, diploma?” vroeg de kok,
„Een modern uitdruksel”, antwoordde de schipper, „zooveel als eerbetuiging.”
„D’r is wat geleerdheid”, zei de kok, Herman aanziende, trotsch op zijn knappen schipper.
„De commissaris van politie uit Vlaardiugen is ook bij mij geweest om de medaille van de Koningin te zien, en de burgemeester heit er in den raad over gesproken.'’
„Dan heb je nogal voldoening van je redding gehad, schipper.”
„’k Ben best behandeld”, zei de schipper. „Best, best en driemaal best. Maar als mijn patroon de moeite niet gedaan had, zou ik het niet gekregen hebben.”
„En toen heit de schipper tweede klas gezeten, op fiuweelen canape’s”, vulde de kok aan.
„Een thuiszeiler !” riep Aai, die boven was gekomen.
De schipper keek naar den einder. Daar stevende een logger, die alle zeilen op had.
„Die is met dezen wind morgenavond in Vlaardiugen. Gooi het roer maar om, Aai, dan zal ik ’m eens koersen; misschien kan-ie ’n brief meenemen.” „Ga je mee schrijven, Cheffie?”
Herman ging mee naar beneden. De schipper haalde uit de middelste lade van het tafeltje een boek — zijn