228
„Uit een schipbreuk?”
„Ja Cheffie. Dat’s nou ruim een jaar geleden — ook in October. Ik voer op de Marie Henriëtte. Het stormde vreeselijk — nog rauwer dan eergisterennacht. Tegen den middag zie ik op zee een Groningsche tjalk met zijn noodvlag op. Het schip lei over zij en zijn roer was stuk. Het kon elk oogenblik zinken. Ik wilde met de Marie Henriëtte een beetje dichterbij, maar ik moest oppassen. Want de zee was hol en hij kon niet mijden, omdat zijn roer stuk was. Toen zag ik, dat het niet lang meer duren kon. Op de tjalk waren ze vreeselijk in angst; ik zag dat een vrouw zich in de mast had vastgebonden en die hield een kind omhoog. We bleven een beetje in de nabijheid varen om als 't kon te helpen; tegen den avond begonnen ze op de tjalk om hulp te schreeuwen. De zee sloeg over de schuit en hij begon te zinken. Wij streken onze jol en zetten’m overboord, met vijf man er in ; ik aan ’t roer. Maar we konden niet bij de tjalk komen, zonder tegen de schuit te pletter te worden geslagen. Ik nam toen een lijn, die ik meegenomen had, en wierp naar de tjalk; daar vong de kapitein ’m op; toen gingen we weer naar de Marie Henriëtte. Ze bonden de vrouw de lijn om het lijf en gooiden haar over boord. Wij palmden de lijn in, zoo snel als het kon, en haalden haar zoo door het water heen aan boord. Zij was eerst weg toen ze op ons, dek kwam, maar al heel gauw kwam ze bij en schreeuwde om ’r kinderen. Haar man was kapitein en eigenaar van de tjalk, die door den storm uit de koers was geslagen. Zij woonde met hem en haar vier kinderen op hun schip; zij hadden nog een kok en een stuurman aan boord.