226
En Herman waschte de wonden uit, die rood en diep waren en zeer vervuild, want de vereelte handen hielden het vuil zeer vast. Daarna ging hij met de pleister naar den schoorsteen van ’t kombuis voor, warmde deze daartegen en verbond Piet.
„Zou ’tnou van middag over zijn?”
„Wel neen, misschien na een maand.”
„Dan geeft het niets; straks om drie uur gaan we weer de vleet schieten en dan glijdt het er af.”
„’tls een sukkelpartijtje”, zei Herman.
Piet keek er nog eens pijnlijk naar en stak dan zijn handen in de zakken.
„Moet je niet ’ns een sigaartje rooken, mijnheer?” vroeg Willem. Hij snoepte uit een zakje wat pepermuntjes, die hij uit Lerwick had meegebracht.
Herman haalde uit zijn koffer een kistje sigaren en bood ze den visschers aan. Zij lieten hun werkjes in den steek, staken de sigaar op en zaten allen met groot genot te rooken.
„Dat zijn fijne.”
„De rijkdom weet wel wat goed is; ze kosten je zeker wel duur?”
„Een dubbeltje”, loog Herman.
„Dat ken je wel proeven. Jongen, jongen, een dubbeltje voor een sigaar. Maar ze zijn fijn hoor.”
Zoo bleef men tot schaften op ’t dek ; rookend, knutselend, pratend over de haring en daarna ging men in ’t vooronder weer erwtensoep eten.
„Ook een stukje spek? ’t Is Zondag vandaag?", vroeg de kok.
„’kHeb een honger als een wolf’, bekende Herman. Hij nam zijn blauw pannetje, spoelde het in zee om