223
de armen van geest en goederen, die de eeuwige zaligheid zouden beërven.
En toen het nagezang werd opgegeven:
„Hij doet den storm bedaren „De golven zwjjgen stil.”
ging Herman naar boven; hij kon niet langer in het roefje blijven, waar vijftien man sliepen en hun klee-deren bergden en waar gekookt en gestookt werd.
Boven was alleen Klaas, die de wacht moest houden. Klaas, groot, breed, bonkerig, met een gezond, dik gezicht, paarsrood van volbloedigheid, met een rossig baardje onder de kin, was een boeren-arbeider uit Noord-Holland, die ’s zomers eenige maanden ter vis-scherij voer en de overige maanden op ’t land arbeidde of thuis zat.
Hij was altijd tevreden, ijzersterk en een volkomen machine. Hij deed alleen dat, wat de schipper beval — deed dat nauwgezet, klaagde niet over vermoeienis, weinig slaap, de gevaren, het eten. Eens had Herman gezien dat Bruin tegen de roode kolen, die bij ’t begin der reis onder de kippebank hingen, snuffelde en Klaas gevraagd of Bruin daar niet wat anders kon doen.
„Geen nood, mijnheer, ’tls een teef. Maar al dee die ’t, dan was ’t nog niks. ’t AVordt er toch uitgekookt in de pot.”
Hij sprak weinig — hij was een domme, goede boerenknecht, gelukkig met weinig en tevreden met zijn leven.
Hij droeg een lange pilowbroek en wit geschuurde klompen en stond hoog op de beenen, wat achteruit, de buik vooruit en een pijpje in zijn mond. Zijn bruin pilow boezeroen was met talrijke mazen versteld, maar zeer netjes.