„’t Hagend hert der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet storker naar ’tgonot,
Van do frissche waterstroomen,
Dan mijn ziel verlangt naar God,”
en met een niet onwelluidende tenorstem, gaf hij de eerste regels aan en al de visschers vielen in, ernstig, plechtig, met de doorgroefde koppen dicht bij elkaar, twee samen, telkens met één gezangboek.
De grove stemmen schalden dompig, gebarsten, glazerig; maar de tenor van den schipper, die tremo-leerde en bij eiken nieuwen regel den toon aangaf, klonk er boven uit en naast Herman zongen de twee jongens met hun kinder-sopranen, ernstig, lang uithalend, de hoofden dicht bij het hoekje, omdat het donker was.
Herman had sedert zijn jeugd geen kerkdienst meer bijgewoond. Maar nu bij dit zingen, daar herinnerde hij zich opeens zijn kindschheid weer, de Christelijke school met den bijbel, die hij als jongen had bezocht, en dat de eenige school geweest was, waar de onderwijzers het met hem gemeend hadden. Hij had ze later dikwerf in herinnering dankbaar herdacht; die hadden gevoeld, welk gewichtig werk hun opgedragen was, de vorming van hart en hoofd der kinderen. Daar, op die school, had een sfeer geheerscht van liefde, van roeping, van verantwoordelijkheid.
„Bijbellezing,'' zei de schipper.
Hij sloeg den bijbel open en begon: „En Abraham toog henen, gelijk de Heere hem gezegd had.”
Hij was nu niet meer de vroolijke, schrandere schipper van boven op ’tdek. Nu was hij ernstig, somber, plechtig, stijf — daar hing in 't vooronder de sfeer