219
schenen wit geschuurd tusschen de donkere omkadering der eikenhouten lijsten. Men had ook de „aap” het zeil midden op ’t achterdek, opgezet. In de jol aan bakboord vóór zaten een viertal visschers en rookten een pijpje. Willem knutselde aan een paar zeil-doeksche schoenen; Giel breide een eiernetje; Hein vlocht van geplozen manilla een driekleurig matje. Ze hadden nu schoone keezjakken aan en droegen weer de fantastische petten en mutsen en niet meer de zware zuidwesters en oliejassen en hooge laarzen.
De kok had een puts water geslagen en ging zich wasschen, de mouwen opgestroopt. Het was noodig — hij waschte zich voor de eerste maal sinds hij uitgevaren was.
„Niet te veel wasschen, anders maak je de zee vuil,” schertste Herman.
Aai met een verrekijker, onderzocht den einder en noemde de schepen, die hij zag. En telkens als hij er een herkend had, werd over den schipper van die schuit gesproken en over de bemanning en den boekhouder. „Daar gaat Jan van der Zwan van Hoogerwertf. Daar gaat Reij er van Teylingen van Joost Pot. Wie is dat nou, die daar? Is dat Jacob Seen niet van Ijzerman ?”
„Die wil schepen kennen,'’ lachte de schipper. „Dat ken ik nou zien zonder verrekijker, wie dat is ?”
„Wie dan ?”■ vroeg Aai, die misgeraden had.
„Dat is Jan van der Velde van van Dam.”
„Neen, die heit een houtje in den mast,” zei Piet, ook turend, „en dat heit die niet.”
„Willen we wedden ?” vroeg de schipper. „Dat is Jan