218
„Best Maarten, kom maar in de kajuit.”
Herman ging naar beneden en kroop te kooi. Een kwartiertje later bracht Maarten hem de haringen en de rijst en op den rand van zijn kooi gezeten, zijn slaapmuts op, deed hij zijn avondmaal en ’t smaakte hem wèl na een verblijf van zestien uur in de zeelucht. Toen ging hij slapen en dien nacht sliep hij goed en rustig.
Het was den volgenden morgen tien uur, toen hij ontwaakte; de schipper was al lang op en door de glazen kap scheen de zon in de kajuit. Die was nu eens zoo vroolijk, gezellig haast. De schipper en Piet kwamen beneden om koffie te drinken.
„Goeien morgen, Cheffie, je hebt ’m vannacht geraakt. Kom maar gauw aan dek. Kom je straks in’t vooronder? Na de koffie is er dienst,”
Piet kwam met zijn groot lichaam beneden, behoedzaam en langzaam zich bewegend in de kajuit, waarin hij niet rechtop kon staan. Ze dronken met z’11 drieën koffie. Herman nu zat ook op de bank, zich vasthoudend met de knieën tegen het tafeltje.
„Geen beschuitje, Cheffie?”
„Dank je”, zei Herman, aan den vorigen dag denkend.
„D'r is anders nog wonderolie genoeg!”
De schipper haalde na de koffie, uit zijn kooi twee boeken in linnen zakjes gepakt, den bijbel en de „Godvruchtige zeeman.” Daarna gingen hij en Piet naar boven. Herman volgde. De zee, zacht-groen, effeu) wijd, rustig, de koepel, teer blauw en de zon bijna zonder wolken.
Het dek was helder; de geschrobde luiken, nu droog,