217
gelegd; het dek en de verschansing werden geschrobd, de ruimen leeggepompt. De roeper en de koperen muts van het kompas werden gepoetst. Toen het dek geheel schoon was, trad Piet de stuurman als victuali-meester op. Hij haalde uit de kajuit een paar groote trommels en gaf den kok koffie, thee, suiker en margarine. Jan kwam bakolie halen voor de haring, die hij ging bakken in 't vooronder. Daarna nam Piet drie groote Leidsche kazen en sneed ze in veertien stukken; de stukken werden op een rij gelegd, de visschers gingen allen met den rug er naar toe staan en moesten raden om de stukken, die in grootte verschilden.
Herman hielp Maarten, door hem een knikje te geven toen ’t grootste stuk werd aangewezen.
„Wiens dit?” riep Piet,
„Mijns”, riep Maarten.
En met zijn groot Stuk kaas triomfantelijk onder den arm, ging hij naar ’t vooronder om ’t in zijn stop-pekistje op te bergen. Een poosje later kwam hij terug; hij had een groot stuk beneden er af gehakt en verlegen naar Herman gaande, die nu naar de donkere kim tuurde, waar thans op den avond voor den Zondag, slechts een paar schepen den mast schuin hadden met witte lichten. „Engelschen, die alleen aan den duivel gelooven”, zei de schipper, fluisterde Maarten tot Hermam :
„Hier, mijnheer, dat is voor u!”
„Dank je, Maarten.”
„Omdat u mij zoo goed gerajen hebt, zal ik u strak-kies ook een paar gebakken haringen brengen. Een paar dikke? En rijst in uw pannetje? U moet 'r stroop op doen, dat smaakt lekker.”